Elke maandag hebben we een huishoudster die vier uur lang ons vrolijke en stijlvolle huisje grondig schrobt. Opgewekt, neuriënd en beleefd gaat ze te werk. Elke maandag laat ik lunch achter en wat sap voor Memory uit Zimbabwe. Vanochtend klopte ze weer aan, want we hebben geen deurbel. Een ferme klop is de enige manier om door de hekken en afgesloten ruimtes waarin mensen leven door te breken. Ik lag te lezen op mijn bed, Die Groot Anders-Maak van Jan Rabie, met het raam wijd open, toen ik haar geklop hoorde. Ik leidde haar naar binnen en liep naar de keuken om een pot rooibosthee te zetten. De beste gesprekken ontstaan altijd in de keuken. De keuken, de plek waar voeding voor de dag wordt bereid, waar mensen bezig zijn en die open en van iedereen is.
Ze vraagt hoe mijn week was. Ik heb een goede week gehad, het Kaapse ritme gehanteerd. Geen zorgen over geld, mensen, studie of werk. Geen gehaast, gestress of geploeter. Haar week was ook rustig, maar dat was het probleem juist. Ze had een week lang weer geen werk kunnen vinden en dat terwijl ze graag hard werkt. Ze legt me uit gewend te zijn om zes of zeven dagen per week te werken; haren te knippen, kleding te verkopen, schoon te maken. Het maakt niet uit wat voor een werk, als ze maar bezig is, als ze maar wat kan verdienen om haar zoontje en familie te kunnen ondersteunen. Dit is tenslotte de reden geweest om twee jaar geleden naar Kaapstad te komen met haar man. Haar zoontje van zeven heeft ze achter moeten laten in Zimbabwe. Hij gaat daar naar school en leert nu lezen, schrijven en zingen. Lachend vertelt ze hoe hij van zingen houdt, maar de mensen om hem heen wat minder enthousiast over zijn zingen zijn. Al herinneringen ophalend vertelt ze me hoe haar zoontje blijft zeuren en smeken om een fiets. Een frons trekt over haar jonge gezicht. Een fiets. "Ach, hij is nog jong, zo was ik vroeger ook. Hij zal het later wel begrijpen dat dat niet te veroorloven is." Een fiets, mijn fiets, de overdaad aan fietsen, fietsers die elkaar bijna omver rijden, fietsen geparkeerd tegen elke beschikbare boom of paal, hetgeen wat ik zo mis aan Nederland. De vrijheid en luxe van een fiets. Dit houd ik maar even achterwege, maar ik voel me ergens diep en diep beschaamd. Ze verzucht dat ze elke dag tot God bid en dat ze het gevoel heeft dat haar gebeden gauw worden verhoort. Hij zal werk voor haar verschaffen, ze zal werken en zorgen, want ze geeft zoveel om dit kind en dit leven. Hoe kan God uit het meest welvarende land zijn verdwenen? In het paradijs vol met fietsen zijn er nog maar weinig dankbaar voor wat gegeven is.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten